— Dus ruk uit mijn appartement, als je geen cent bijdraagt aan de gezamenlijke kosten, schatje! Of dacht je dat je hier gratis kon logeren?

Toen liep ze naar de tafel, pakte zijn kopje waaruit hij had gedronken. Het kopje was nog warm. Vera droeg het zwijgend naar het aanrecht en goot de resterende thee weg. Een straaltje donkere vloeistof verdween in de afvoer. Vervolgens draaide ze de kraan open. Het geluid van stromend water was het enige geluid in de dode stilte. Ze waste het kopje zorgvuldig en methodisch, spoelde het af en zette het in het rek. Ze waste niet zomaar af; ze verwijderde het laatste materiële spoor van zijn aanwezigheid in haar keuken.

Oleg keek naar dit stille ritueel, en zijn woede maakte plaats voor iets anders — koude, kleverige angst. Hij begreep plotseling dat dit het einde was. Niet een nieuwe ruzie. Geen spel. Het was een vonnis, voltrokken zonder woorden.

Vera draaide het water dicht, veegde haar handen af aan een handdoek. Toen verliet ze, net zo zwijgend, de keuken en liep naar de hal. Oleg hoorde haar iets van de kapstok pakken. Enkele seconden later was ze terug. In haar handen hield ze zijn jas. Donkere, herfstige jas, die hij elke ochtend aantrok.

Ze gooide hem niet naar hem toe. Ze smiette hem niet op de grond. Ze liep gewoon naar hem en stak hem zwijgend toe. Haar gezicht toonde niets. Haar ogen keken door hem heen. Dit gebaar was angstaanjagender dan welke vloek ook. Het was definitief, onherroepelijk en vernederend in zijn eenvoud. Het betekende: “Je woont hier niet meer. Je tijd is voorbij. Ga weg.”