Een weekje in haar eentje zou haar zo mak als een lammetje maken, zo soepel als zijde. Maar toen hij zag wat er in die tijd gebeurd was, verstijfde hij al bij het overstappen van de drempel.

— Ik heb geen man, — antwoordde ze rustig.

— Waar zou ik die vandaan moeten halen? — lachte Nika. — Er was er eentje die af en toe langskwam, maar die was niet best. Geen reden om daar nog aan terug te denken!

Tolja werd rood van woede:
— Heb je het over mij?! Wacht maar, ik geef je zo een klap en dan zul je anders praten! Ik had je eerder moeten opvoeden! Heb je veel te veel gespaard!

Hij deed een stap naar voren, maar Nika deinsde geen centimeter terug.

Uit de deuropening verscheen een lange man, legde zijn hand op haar schouder en zei resoluut:
— Hé, kerel, verdwijn. En het liefst zonder gedoe.

— En wie is dat?! Heb je een minnaar?! Goed dan, als je hem wegstuurt, vergeef ik je en kom ik terug! Ik beloof zelfs dat ik je niet zal slaan! — riep Tolja, in de veronderstelling dat hij edelmoedig overkwam.

Wat er daarna gebeurde, was op z’n minst vreemd. Of de zwaartekracht faalde, of de tijd hapte — net stond hij daar nog, en nu rende hij. En niet zomaar rennen — alsof de duivel hem op de hielen zat! En achter hem hielp iemand hem ook nog extra snelheid maken.

Nika stond op het veranda en lachte zo hard dat de tranen over haar wangen rolden, terwijl haar oudere broer de ex-‘partner’ de tuin uit schopte. Die vloog zowat naar het hek, terwijl haar broer hem een paar rake trappen meegaf.

Zodra Tolik buiten stond, sloeg de broer het hek dicht en liep terug naar zijn zus:

— Nikulja, je moet niet eens dénken eraan hem terug te nemen! Eerlijk, ik snap nog steeds niet hoe je het ooit met hem hebt uitgehouden!