
Het kind had zijn wintermuts bijna anderhalve maand niet afgedaan, maar toen de verpleegster hem afnam — slaakte ze een verbaasde kreet
Timur schudde zijn hoofd.
— Ik mag niet, — fluisterde hij bijna onhoorbaar. — Mama zei dat het niet mocht.
Katerina fronste haar wenkbrauwen. Zulke antwoorden lieten haar nooit onberoerd. Ze sloot zachtjes de deur, zodat niemand hen kon storen, en hurkte neer voor Timur, zodat ze op ooghoogte was.
— Timur, vertrouw je me? — vroeg ze zacht.
Timur knikte.
— Laat me dan even kijken. Als je bang wordt, zeg het me, dan stop ik meteen. Beloofd.
Timur aarzelde, maar begon toen langzaam, met bijna trillende vingers, zijn muts af te zetten. Katerina zag hoe zijn schouders zich aanspanden, alsof hij pijn of straf verwachtte. Toen de muts uiteindelijk af was, verstijfde Katerina even.
Op het hoofd van de jongen, onder zijn dikke, donkere haar, zat een blauwe plek. Groot, geelblauw, met paarse randen – duidelijk niet vers. En het was niet de enige. Achter zijn oor – nog een. Langs de haarlijn – een wond, bijna genezen. Dit kon geen ongeluk zijn. Dit kon geen “ik ben gevallen” of “ik heb me gestoten” zijn.
— Timur… wie heeft je dit aangedaan? — fluisterde ze bijna.

Timur sloeg zijn ogen neer.
— Ik was stout, — fluisterde hij. — Papa zei dat ik het aan niemand mocht vertellen. Als iemand het weet… dan straft hij mama ook.
Katerina stond op. In haar stem was geen zachtheid meer.
— Je hebt goed gedaan door me dit te laten zien. Nu is het mijn beurt – om je te beschermen.
Diezelfde dag riep ze de sociale dienst in. En vanaf dat moment kwam Timur nooit meer met een muts naar school.