Na het overlijden van mijn man bracht een pijnlijk familiegesprek me onverwachte troost.
Na de dood van mijn man was het huis dat we samen hadden gebouwd niet langer een oase van rust.
De kamers bleven onveranderd, maar alles voelde leeg aan, alsof de muren zelf hun adem inhielden. In de maanden voorafgaand aan zijn dood werden onze levens gekenmerkt door ziekenhuisgangen, testresultaten en voorzichtig optimisme. Toen het allemaal voorbij was, was de stilte die volgde nog zwaarder dan de angst die ons daarvoor had gegrepen. Naast het verdriet waren er praktische zorgen: onbetaalde medische rekeningen, hypotheekbetalingen en de harde realiteit dat we alles alleen moesten regelen. Mijn negentienjarige stiefzoon, Leo, woonde nog steeds bij me. We rouwden allebei, maar tegelijkertijd worstelden we, ieder op onze eigen manier, om ons een toekomst voor te stellen waar we allebei niet op voorbereid waren.
Op een avond, uitgeput en overweldigd door emoties, vroeg ik Leo om even met me te gaan zitten en te praten.
Ik legde uit hoe moeilijk het voor me was om mezelf te onderhouden en vroeg voorzichtig of hij tijdelijk, zij het bescheiden, kon bijdragen aan de huur. Hij glimlachte en wuifde de vraag gekscherend weg, zeggend dat alles wel goed zou komen en dat ik me onnodig zorgen maakte. In mijn kwetsbare toestand leek zijn poging om de stemming te verlichten eerder kil dan vriendelijk. De teleurstelling was groter dan ik had verwacht. De volgende ochtend was mijn verdriet omgeslagen in wrok en ik was ervan overtuigd dat hij de ernst van onze situatie niet begreep. Overtuigd hiervan begon ik zijn spullen in te pakken en me voor te bereiden op de verhuizing.
