— Mevrouw Venus… Goedendag. Ik ben Artem Sokolov. U bent mijn laatste hoop. Mijn bedrijf stort in, ik sta op het randje van een financiële ramp… Maar ik weet dat u alles kunt. Uw talent is legendarisch. Alstublieft, help mij…
Hij sprak lang, bijna hysterisch, somde zijn problemen op, gaf zijn partners de schuld, klaagde over het lot, smeekte om hulp. De vrouw bewoog niet en luisterde zwijgend. Hij dacht dat dit een teken van aandacht was en ging nog wanhopiger door.
Toen hij stopte, trilde zijn stem, werd zijn gezicht rood van vernedering en angst. De stoel draaide langzaam, zonder een geluid.
Artem verstijfde. Voor hem zat Marina. Diezelfde. Maar totaal veranderd. Koud, zelfverzekerd, met de glans van een overwinnaar in haar ogen.
Maar ze zat niet in een gewone bureaustoel, maar in een ultramoderne rolstoel, bekleed met leer en metaal. Het zag er niet uit als een symbool van nederlaag — eerder als een troon van een koningin die haar wereld regeert.
Zijn adem stokte. Een herinnering flitste door zijn hoofd — het ziekenhuis, haar tranen, zijn wrede woorden…
— Ma… Marina? Ben jij dat? Hoe… — bracht hij nauwelijks uit.
Ze bekeek hem langzaam van top tot teen — zijn versleten pak, ingevallen wangen, zijn blik vol pijn en hoop.
— Helpen? — vroeg ze koel, met een vleugje minachting. — Waarom zou ik mijn tijd verspillen aan iets dat geen winst oplevert?
