’s Nachts kroop een ex-gevangene door het raam bij een verlamde oude vrouw, van wie de artsen haar al hadden ‘opgegeven’. En ’s ochtends – voor het eerst in jaren – stond ze op uit bed

Ze woonde op de vierde verdieping, in een oud, verwaarloosd appartement. Oma Luba — zo noemden de buren haar. Vroeger was ze een gerespecteerde lerares. Haar woorden hadden gewicht, ze straalde autoriteit uit. Maar nu… niemand herinnerde zich nog dat zij generaties kinderen in deze buurt had geleerd lezen en schrijven.
De dagen gingen voorbij in stilte. De muren van haar appartement waren als vermoeide getuigen van het verleden: ze herinnerden zich kinderlachjes, kerstliedjes, familievetes. Maar nu kwam er niemand meer langs. Haar zoon, Victor, was naar het buitenland vertrokken. Hij belde één keer via Skype, maar toen Luba het gesprek niet kon beantwoorden, hing hij met een zucht op. Daarna had hij nooit meer geprobeerd contact te zoeken.
Haar dochter, Alona, woonde in dezelfde stad. Maar ze was altijd “te druk”. Ze zei alleen: “Mama, begrijp het nou, mijn gezin gaat voor.” Alsof Luba dat haar hele leven niet had begrepen.

In de winter, wanneer de radiatoren nauwelijks warmte gaven, was haar enige metgezel haar rode jas, gekocht met haar laatste pensioenbesparingen. Daarmee ging ze naar de groentewinkel, daarmee zat ze op de bankjes in het park wanneer de eenzaamheid haar hart kneep. De jas was allang verkleurd, maar ze droeg hem nog steeds met trots — alsof het het laatste overblijfsel was van haar vroegere leven.
Op een dag viel ze van de trap. Haar heup was gebroken. Ze lag drie uur op de koude vloer voordat een vreemde man — Misja, een dakloze die oud ijzer verzamelde — haar vond. Hij belde de ambulance. Hij hield haar hand vast tot de hulpdiensten arriveerden. Luba huilde — niet van de pijn, maar omdat een vreemde man haar hielp, terwijl haar eigen kind slechts een sms stuurde: “Ik kan niet komen, het is hier te druk.”

Na haar ontslag uit het ziekenhuis had ze geen plek om heen te gaan. Ondertussen had haar dochter haar appartement “tijdelijk” verhuurd. Misja nam haar mee naar zijn hut — armoedig, zonder verwarming, aan de rand van de stad. ’s Avonds was ze lerares — ze leerde hem lezen. ’s Ochtends reed Misja haar in een rolstoel naar het zonlicht.
Mensen keken eerst vreemd naar hen: een dakloze en een oude vrouw in een rode jas. Maar daarna raakten ze eraan gewend. Ze lachten, praatten, en Luba voelde zich — voor het eerst in jaren — weer levend.
Want soms is familie niet wie er op je geboorteakte staat, maar wie niet wegkijkt als je valt.
