Ze liepen naar de keuken. De vrouw opende de koelkast met een klap en schoof lege potten opzij.
— Er is brood, boter en melk. Is dat goed?
Het meisje knikte. Het maakte haar niet uit — zelfs die simpele dingen voelden als een feest. Ze was eraan gewend stil te eten om haar moeder niet te irriteren.
De melk was bedorven, maar Tanja slikte het ijverig door zonder een spoor van ontevredenheid te tonen. Beter iets dan niets.
Terwijl ze at, dwaalden haar gedachten af naar herinneringen — toen ze een gezin waren, toen mama lachte, toen papa cadeautjes gaf. Toen veranderde alles. Verdween vreugde, warmte, rust. Bleven lange ruzies, geschreeuw en gebroken servies. Vader begon te drinken, verdween daarna helemaal — hij werd gearresteerd. En toen begonnen de bezoeken van vreemde mensen. En elke keer — angst.
Tanja was haar boterham aan het opeten toen er in de stilte een bel ging. Ze verstijfde. Lena ook. Ze wisten allebei: dat waren zij.
De vrouw liep langzaam naar de deur, keek door het kijkgaatje. Achter de deur stond een man met zwart haar — met een brutale glimlach en een bekend gezicht.
— Doe open, eigenaresse. Je zult geen spijt krijgen van brood en zout.
Lena schoof met moeite de grendel opzij. De deur zwaaide open en twee mannen kwamen zonder waarschuwing binnen.
— Dit zijn niet mijn schulden, — begon ze, haar stem trilde. — Het is allemaal Pasha’s schuld. Zijn fouten. Ik heb niets gekregen. Geen geld, geen normaal leven.
