Hij sprong op van zijn stoel, die met een vervelend piepje naar achteren schoof. Nu torende hij boven haar uit, probeerde haar te intimideren met zijn lengte en fysieke massa. Maar Vera week niet terug. Ze zat nog steeds rechtop, met dezelfde afstandelijke kilte in haar blik, alsof ze een onaangenaam, maar onvermijdelijk natuurverschijnsel observeerde — zoals een etterbuil die openspringt.
— Met jou samenleven is onmogelijk! Jij bent geen vrouw, jij bent een rekenmachine! — zijn stem brak in een schreeuw, maar het was geen schreeuw die muren doet trillen, maar een ingehouden, schorre kreet van machteloosheid. — In plaats van een hart heb je een rekenmachine! Ik probeerde warmte, gezelligheid, een normaal leven te creëren! Ik bracht het beste van alles naar huis zodat jij zou lachen, zodat wij een menswaardig leven zouden hebben! En jij, al die tijd, hield je de debet- en creditkant bij!
Hij rende door de kleine keuken als een dier in een kooi. Hij zwaaide met zijn handen, wees naar de woonkamer, de badkamer, naar haar zelf. Hij spuide alles uit wat zich jarenlang had opgehoopt: zijn irritatie, zijn gekrenkte trots, het vaag gevoel dat hij niet zijn eigen leven leefde, niet in zijn eigen ruimte. Nu had hij een schuldige gevonden. Dat was zij. Koud, berekenend, ondankbaar.
— Elke normale man zou binnen een maand van jou zijn weggelopen! Van zo’n ijsblok, die een oude grootmoedertafel meer waardeert dan de levende persoon naast zich! Jij hebt geen man nodig, Vera. Jij hebt een nette, gehoorzame huurder nodig, die op tijd betaalt en geen vieze afwas achterlaat.
Hij stopte midden in de keuken, hijgend. Hij had alles uitgesproken. In zijn arsenaal zat geen enkele kogel meer. Hij wachtte. Wachtte op een reactie, een uitbarsting, wat dan ook, iets dat hen terug zou brengen naar het vertrouwde pad van een ruzie, waarna ze weer zouden kunnen onderhandelen, zich verzoenen, en alles weer bij het oude zou zijn.
Maar Vera zweeg. Ze luisterde naar hem zoals je naar de weersvoorspelling op de radio luistert. Onpartijdig. Zijn woorden hadden geen gewicht meer voor haar. Ze waren lege klanken, echo’s uit een leven dat een uur geleden was geëindigd. Ze stond langzaam op, zonder een overbodige beweging.
