In de brief stond niets over liefde. Geen smeekbede om terug te komen. Alleen een erkenning:
‘Jij leerde me mensen te zien, niet het uiterlijk. Jouw stilte was de luidste les van mijn leven. Ik verloor de vrouw die alles had kunnen zijn. En geen dag gaat voorbij dat ik dat niet betreur.
Wees gelukkig. Ik wilde alleen dat je weet: jij was echt. Dank je.’
Léna legde de brief op tafel en zat lang daar, tegen haar borst gedrukt. Tranen kwamen in haar ogen – geen tranen van pijn, maar van dankbaarheid.
Dankbaarheid dat hij haar toch had begrepen.
Een maand later ontving Léna een pakketje. Een klein doosje. Met een dun zilveren armbandje en een briefje:
‘Jij droeg nooit goud. Dat had je ook niet nodig. Maar als er ooit een dag komt dat je gewoon wilt praten – ik ben er. Zonder verwachtingen. Zonder eisen. Gewoon als een mens die door jou veranderd is.’
Léna glimlachte.
En na lange tijd antwoordde ze voor het eerst:
‘Dank je. Voor je eerlijkheid. Misschien praten we ooit echt.’
En ze wist – als die ontmoeting ooit gebeurt, zal het niet voortkomen uit zwakte, maar uit kracht. Uit waardigheid. Uit respect.
Er ging nog een half jaar voorbij…
Léna leefde rustig, werkte, en voedde haar zoontje op. De man met wie ze eerder samen was geweest, was vanwege een contract naar het buitenland vertrokken – ze namen afscheid als volwassenen, zonder drama, met wederzijds respect. Léna had alles wat ze nodig had: zelfvertrouwen, innerlijke rust en zelfrespect. Alleen soms, wanneer haar zoontje sliep, haalde ze die armband en de brief tevoorschijn – en er ontstond dan een warme, beklemmende sensatie in haar borst.
