‘Alsjeblieft niet,’ fluisterde hij, maar zijn vingers gleden vanzelf naar de koude deurklink.
De deur ging met moeite open. Daarachter begon een wenteltrap die omlaag leidde — onder het huis, onder het water. Met elke trede werd de lucht vochtiger, zwaarder, doordrenkt met de geur van zout, metaal, en iets ouds, alsof hij een vergeten verleden betrad.
Beneden strekte zich een lange gang uit, volgestouwd met kasten en laden. De opschriften luidden: ‘Genealogie’, ‘Correspondentie’, ‘Expedities’.
Op één van de laden stond: ‘Rowe’.
Met bevende hand trok Elliot die open. Binnenin lagen brieven. Allemaal geadresseerd aan zijn vader.
‘Ik heb het geprobeerd. Waarom zwijg je? Het is belangrijk voor hem. Voor Elliot…’
‘Dus hij is niet verdwenen. Hij schreef. Hij wilde me leren kennen,’ fluisterde Elliot.
Aan het einde van de gang bevond zich nog een zware deur met het opschrift: ‘Alleen voor geautoriseerde personen. Jonas-Archief’. Er zat geen klink aan — alleen een handscansysteem. Naast het paneel hing een briefje: ‘Voor Elliot Rowe. Alleen voor hem’.
Hij legde zijn hand op de scanner.
Klik. De ruimte werd zacht verlicht. Een projector kwam tot leven en op de muur verscheen de gestalte van een man.
Grijs haar, vermoeide ogen. Hij keek Elliot recht aan.
‘Hallo, Elliot. Als je dit ziet, ben ik er niet meer.’
De man stelde zich voor als Walter Jonas.
