Ze huilden. En daarna omhelsden ze haar. En daarna — elke dag — kwamen ze samen. Kleine stapjes. Zonder haast. Katja leerde weer lachen. Zonder achterom te kijken. Zonder angst. Zonder innerlijke beving.
Na een half jaar ontmoette ze Igor via een vrijwilligersproject. Hij deed geen grote beloften. Geen scènes. Hij was er gewoon. Bracht thee als haar keel pijn deed. Opende deuren. Luisterde. Echt luisterde. Zonder te onderbreken. Zonder te oordelen. Katja hield afstand — angst was sterker dan rede. Maar Igor drukte niet. Hij wachtte. Hij wist: vertrouwen kun je niet pakken. Dat moet je verdienen.
En zo — een jaar later — zaten ze in datzelfde restaurant. Op tafel stond een taart. Op de glazuur stond: ‘Met liefde — voor jezelf.’
Niemand schreeuwde. Niemand zette druk. Mensen lachten oprecht. Iemand fluisterde:
— Die Katja had het niet overleefd. Deze heeft het gered.
Katja hief haar glas:
— Een jaar geleden verloor ik mijn bruiloft. Maar vond ik mezelf. En weet je wat? Mezelf is veel waardevoller.
De volgende maanden. Een nieuw huis. Nieuwe stilte.
Katja en Igor gingen samenwonen. Niet uit angst om alleen te zijn. Niet uit druk. Maar omdat ze wilden — wakker worden naast elkaar, samen ontbijten, films kijken onder één deken. Zonder scènes. Zonder geschreeuw. Zonder angst.
