— Er valt niets te bespreken, — antwoordde Katja, en in haar stem klonk zo’n vastberadenheid dat het leek alsof de muren van het appartement opstonden om haar te beschermen. — Ik heb mijn beslissing genomen.
Ljoedmila en Nikolaj, als twee verbleekte spiegels van vroeger, pakten zwijgend hun spullen en liepen richting de deur. Bij de drempel draaide Ljoedmila zich nog één keer om, met tranen in haar ogen, hoopvol.
— Sasjenka, je laat ons toch niet in de steek?
Sasja stond verstijfd, zijn handen hulpeloos gespreid:
— Mam, ik… ik zal proberen met Katja te praten. Misschien kalmeert ze…
Toen de deur achter zijn ouders dichtsloeg, vulde de kamer zich met een loodzware stilte, als een storm die op het punt stond los te barsten. Sasja draaide zich naar zijn vrouw, en in zijn ogen stonden duizend vragen. Katja voelde een snijdende pijn, maar hield zich in.
— Luister, ik wilde niet dat het zo liep. Mijn ouders zaten echt in een moeilijke situatie… die renovatie…
— Welke renovatie, Sasja? — Katja keek hem moe aan. — Ze zijn er niet eens aan begonnen. Jouw ouders hebben gewoon besloten mijn huis over te nemen als een fort, en jij liet het toe!
— Zeg dat niet! — Sasja schoot uit zijn slof, alsof hij geraakt werd. — Ze bedoelden het niet slecht! Ze dachten dat samenwonen beter zou zijn.
— Beter voor wie? — Katja liet zich op de bank zakken. Het was alsof al haar kracht haar had verlaten. — Voor jou? Voor henzelf? Heeft iemand aan mij gedacht?
Sasja ging naast haar zitten, greep naar haar hand, zoekend naar een reddingslijn. Maar Katja was al te ver weg.
— Katjoesj, laten we het goedmaken. Ik zal met hen praten…
— Nee, Sasja, — haar stem was bijna een fluistering, maar zo vastberaden dat het zijn bloed deed stollen. — Het is te laat om nog iets goed te maken. Ik ga de scheiding aanvragen.
— Wat?! — Sasja sprong op, zijn ogen wijd opengesperd als iemand wiens wereld onder hem instort. — Om zoiets stoms?!
— Onzin? — Katja glimlachte bitter, met een kille, gekwetste ondertoon in haar stem. — Noem jij het onzin dat je jouw ouders de baas liet spelen in míjn huis? Dat je geen enkele keer voor mij opkwam? Je wist dat ze van plan waren hier voorgoed te blijven en je zei niets. Dat is geen vergissing, Sasja. Dat is verraad.
De volgende ochtend ging Katja naar de rechtbank. Haar handen trilden niet, want haar besluit was rotsvast. En toen ze thuiskwam, was er geen angst en geen spijt — alleen leegte en een gevoel van opluchting, alsof een loodzware deken van haar was afgegleden.
