Gewapend met een vriendin, een zak koekjes en haar zenuwen, begon Larisa alle winkels en portieken af te gaan. Als er beelden waren — keek ze die terug. Als die er niet waren — stelde ze voor er een te installeren.
De eigenaresse van het shoarmatentje had een paar minuten video:
Op het scherm: Vadim in een korte broek met ananassen (ja, dat is belangrijk), en naast hem — Zjoezja. Zonder riem. Ze kijkt hem vragend aan, maar gehoorzaam. Hij klapt in zijn handen — zij gaat zitten. Daarna stopt de opname.
En dat was het. Spoor dood.
Daarna — de asielen.
Toen kwam ik in actie. Ik belde al mijn dierenartscollega’s, we controleerden databases, advertenties, groepen op sociale media. Zjoezja had een uniek uiterlijk: oren als Batman, een staart als een bezem. Je kon haar onmogelijk niet herkennen. Maar niemand had haar gezien.
Larisa begon alle advertenties af te gaan. Aan hekken, in portieken, winkels, zelfs op Avito en Youla. Ze keerde zelfs terug naar “Odnoklassniki” — waar ze trouwens haar eerste tip kreeg van een vrouw genaamd Valentina Michajlovna:
“— Zo’n hond liep hier op het binnenplein! Ze had ogen… als een officier van justitie!”
“— Waar woont u?”
“— In Doebna.”
“— En ik in de Stad.”
“— Nou ja, misschien is ze snel voorbij gerend.”
Dank je, Valentina. Hoop sterft als laatste.
Op de derde dag wist Larisa al niet meer wat slaap was.
Ze dronk liters koffie, haar ogen stonden strak, haar handen beefden. Ze scrolde eindeloos door websites voor vermiste dieren, doorzocht sociale media, liep over markten, sprak elke zwerfhond aan en bood worstjes aan. En in haar hoofd klonk maar één vraag: Waar is ze? Waar is ze? Waar is ze?
En toen, zoals dat altijd gaat in dit soort verhalen, grepen goede mensen in.
“— Ga naar oma Klava. Zij ziet dingen. Haar kat vertelde haar ooit waar een vermist kind was.”
“— Ik zoek een hond, geen kind.”
