Toen ze naar het ziekenhuis kwam waar haar stervende echtgenoot lag, gooide de rijke vrouw geld naar een bedelares… Maar toen ze een vreemd advies hoorde, verstijfde ze in aarzeling.

Een elegante vrouw in een dure jas, met een zware blik en een beheerste houding, liep het oude gebouw van het stadsziekenhuis binnen.

 

De lucht was doordrongen van de geur van medicijnen, en de muren leken de verhalen van pijn en verlies te bewaren. Ze trok haar neus een beetje op — niet vanwege de geur, maar vanwege de herinneringen die plotseling in haar hoofd opkwamen.

Haar man, een van de bekendste miljardairs van het land, lag nu in een van de kamers. Sinds zijn beroerte sprak hij niet meer. Zijn ogen waren open, maar star — alsof hij ergens door de tijd heen keek.

Ze waren elkaar al lang vervreemd. Er was geen scheiding geweest, maar ook geen liefde meer. Ze leefden als buren, gescheiden door een muur van geld, verplichtingen en stilte. Toen de advocaat belde om te zeggen dat de toestand van haar man verslechterde, aarzelde ze lang om te komen.

Wat kon ze hem zeggen? Wat hoopte ze te horen? Misschien hoopte ze alleen op één laatste kans — een handtekening die alles zou laten zoals het was bedoeld. Maar toen de auto stopte bij de ingang van het ziekenhuis, besefte ze: dit ging niet alleen om documenten. Er was iets groters — het verlangen om bij hem te zijn, zelfs als het te laat was.