Toen ze naar het ziekenhuis kwam waar haar stervende echtgenoot lag, gooide de rijke vrouw geld naar een bedelares… Maar toen ze een vreemd advies hoorde, verstijfde ze in aarzeling.

Bij de ingang van de intensive care stond een mager meisje van een jaar of tien. Ze hield een plastic bekertje vast en keek in de richting van de ziekenhuiskantine. Haar jas was gescheurd, haar haar verward, en in haar ogen lag een vreemd soort rust, alsof het leven haar al alles had geleerd wat echt belangrijk was. De vrouw perste haar lippen op elkaar, haalde een paar biljetten uit haar handtas en gooide ze op de grond naast het meisje, zonder haar pas te vertragen.

‘Koop iets te eten,’ siste ze tussen haar tanden, alsof ze zich van een schuldgevoel wilde ontdoen dat ze nog niet eens herkende.

Het meisje keek op. Ze bedankte haar niet. Ze stelde slechts één vraag, zachtjes, bijna fluisterend:

— Hebt u hem ooit gezegd dat u van hem hield?

De vrouw bleef abrupt staan. De woorden troffen haar recht in het hart. Ze draaide zich om, maar het meisje liep al weg, haar rug gebogen als een oude vrouw, moe van het leven. Een moment leek het alsof het kind in het niets oploste, maar ze schreef dat toe aan haar vermoeidheid.

De ziekenhuiskamer was stil. Haar man lag met zijn ogen open, starend naar buiten. Het leek alsof hij hoorde. Misschien zelfs zag. De vrouw liep behoedzaam naar hem toe, alsof ze zijn laatste momenten niet wilde verstoren. Ze ging naast hem zitten. En voor het eerst in jaren pakte ze zijn hand. Koud. Maar levend.

‘Ik… het spijt me,’ fluisterde ze, haar stem trilde. ‘Ik dacht altijd dat we nog tijd hadden. En toen… ben ik gewoon opgehouden met geloven.’